Zeventien

De angst om racistisch te zijn en te discrimineren, kan leiden tot verkramping en foute keuzes. Daarom deel ik voor het eerst mijn waargebeurde verhaal.

‘Hé meisje!’ riep hij steeds. ‘Hé meisje!’
Ik was zeventien. Er liep een man achter me aan door de stad.
Ik was lopend onderweg van school naar huis. Mijn brommer was kapot, en de bus was niet zo handig.
Ik zat midden in mijn eindexamen.

Ik negeerde zijn geroep, ik wilde gewoon naar huis.
Totdat ik wel moest stoppen om een drukke weg over te steken.
Hij kwam naast me staan.
Het was een Surinaamse man, met een mutsje op.
‘Waarom laat je me niet met rust?’ vroeg ik.
Ik wilde dit niet.
‘Jij wilt niet met mij praten, omdat ik zwart ben.’ zei hij verwijtend.
Zijn opmerking verwarde me.
Je mag niet discrimineren, zeiden mijn ouders altijd. Iedereen is gelijkwaardig, het gaat niet om kleur. En daar was ik het mee eens.
Ik wist ineens niet meer wat ik tegen hem moest zeggen. Mocht ik hem wel wegjagen? Zei ik dat echt vanwege zijn kleur?
Dus ik luisterde naar zijn verhaal, in plaats van door te lopen toen het voetgangerslicht groen werd.

‘Het gaat om mijn zus,’ zei hij. ‘Ze is pas naar Nederland gekomen en ze wil heel graag eens met een Nederlands meisje praten.’
Er kwamen in die tijd veel Surinamers naar Nederland, dus ik kon me er iets bij voorstellen.
Het was vast lastig om ineens in Nederland te wonen.
‘Kunnen we niet een afspraak maken?’ vroeg hij. ‘Dan komt mijn zus ook.’
Ik twijfelde.
Waarom zou ik met een onbekende man afspreken?
Was ik racistisch bezig als ik niet wilde? Ik mocht niet discrimineren en dat wilde ik ook niet.
En ik had ook geleerd om aardig te zijn voor anderen.

We maakten een afspraak voor de volgende dag. Ik zou hem en zijn zus ontmoeten bij een café in de binnenstad, op het terras. Dat leek me een veilige setting: het was buiten en met andere mensen in de buurt.
Wat kon me gebeuren.
En na de ontmoeting met zijn zus zou ik meteen doorlopen naar school voor het volgende examenonderdeel.

Ik vertelde mijn ouders niets.
Misschien zouden ze ertegen zijn?
En ik had er immers goed over nagedacht.

De volgende dag regende het. Ik was precies op tijd bij het café, maar het terras was gesloten.
Toen kwam hij aanlopen, alleen.
‘Waar is je zus?’ vroeg ik.
‘Die is bij mij thuis,’ zei hij. ‘Ze wacht binnen op je.’
Hij wees naar een huis vlakbij.
‘Daar woon ik, zullen we gaan?’
Ik vond het wel raar dat zijn zus er niet bij was.
Maar ik geloofde hem.

Hij deed de voordeur voor me open. Ik liep de steile trap op naar boven.
Hij kwam achter me aan.
Ineens kreeg ik een onheilspellend gevoel.
Dit klopte niet.

Bovenaan de trap stond een deur open.
Ik keek om of ik nog weg kon.
Maar hij duwde me naar binnen en deed de deur achter zich op slot.
‘Zo, nu ben je bij mij,’ zei hij.
‘Waar is je zus?’ vroeg ik.
Hij glimlachte en haalde zijn schouders op.
Tegen de muur stond een bed met een rode deken erover.
Er stond ook een rieten leunstoel en een klein bureau.
Door het schuine dakraam kon ik de daken van de binnenstad zien.

Foute boel, ik wist het meteen.
Er was helemaal geen zus.
Er kwam een vreemde rust over me.
Ik was bang en tegelijk vastbesloten.
Dit ging niet gebeuren.

‘Ga zitten,’ zei hij en wees naar de stoel.
Ik wilde niet zitten. Als ik eenmaal zat, zou hij letterlijk boven me staan. Dan zou hij dominant zijn.
Hij wees op het bed.
‘Daar gaan we samen leuke dingen doen.’
‘Nee, dat gaan we niet doen,’ zei ik koel. ‘Ik ga nu weg. Doe de deur open.’
Mijn knieën trilden onder mijn lange, bruine jas.
Ik hoopte dat hij het niet zou zien.

‘Nee, je blijft hier,’ zei hij.
‘Ga zitten,’ zei hij, nog dringender.
‘Nee, ik blijf staan,’ zei ik.
‘Ik heb ook een mes,’ zei hij. ‘Daar kan ik van alles mee doen.’

Ik zag de sleutel liggen op het bureau en pakte hem.
‘Zo, nu ga ik weg,’ zei ik.
Hij kwam vlak voor me staan en hield zijn hand op:
‘Geef mij die sleutel.’
Hij zette grote ogen op om me te intimideren.
Ik zei niets, maar bleef staan met de sleutel in mijn hand.
‘Geef mij die sleutel!’ zei hij nogmaals.
Toen gaf hij me een klap in mijn gezicht.
Ik schrok, maar deed of ik niks voelde.
‘Geef mij die sleutel!’
Ik reageerde niet, hoewel mijn wang gloeide.
Toen spuugde hij me in mijn gezicht.
‘Je doet wat ik zeg,’ zei hij.
Hij wilde me klein maken.

Ik veegde met mijn hand – zo nonchalant mogelijk – zijn spuug uit mijn gezicht af en gaf zwijgend de sleutel terug. Hij stak hem in zijn broekzak.

Mijn hoofd draaide op volle toeren, hoe kwam ik hieruit?
Vliegensvlug schatte ik mijn kansen in.
Als ik hem te boos maakte, zou hij harder gaan slaan.
Of hij zou me op het bed gooien.
En wat zou er dan gebeuren?
Fysiek kon ik niet tegen hem op.
Hem tegenspreken was gevaarlijk.

Hij duwde me in de rieten stoel. Ineens torende hij boven me uit.
Nu was hij de baas.
Hij haalde zijn piemel uit zijn broek en speelde er wat mee.
‘Weet je wat ik allemaal ga doen met jou?’
‘Doe die maar weg, dat interesseert me echt niks.’ zei ik.
Ik was doodsbang, maar ook heel sterk en ijzig koel. Alles in mij functioneerde op zijn toppen, op zoek naar een uitweg.
Ik wist niet dat ik deze kracht in me had.

Ik stond weer op uit de stoel en zei niets.
Vanaf nu zou ik blijven staan, dat stond vast.
Hij duwde me niet terug, maar aarzelde.
Toen deed hij zijn piemel terug in zijn broek.
Het was 1-0 voor mij, ik voelde de macht veranderen.

‘Nu ga ik,’ zei ik bijna terloops. ‘Anders kom ik te laat op school. Ik moet examen doen.’
‘Doe nou gewoon die deur open.’
Ik probeerde redelijk maar ook duidelijk te klinken.

Hij zuchtte.
‘Ik krijg gewoon geen power over jou! Je bent een te sterke vrouw.’
Hij zei het met een mengeling van teleurstelling en bewondering.

En toen veranderde hij als een blad aan een boom.
Van een macho man werd hij ineens een mens.
Hij pakte een mapje foto’s van het bureau.
‘Kijk, dit is mijn familie,’ wees hij aan.
‘Dit is mijn zus, dit is mijn moeder.’
Beleefd keek ik naar de familiefoto’s uit Suriname.
Ik moest meebewegen.
Niet de confrontatie opzoeken.
Hij had een mes.
Ik zat in een raar toneelstuk en speelde mijn rol.
‘Mooie foto’s,’ zei ik.

Ondertussen bleef ik gefixeerd op de deur.
De sleutel zat in zijn broekzak.
Hij moest zelf de deur voor me open doen.
Dus ik moest hem voor me winnen.

We bekeken alle foto’s.
‘Leuke familie,’ zei ik.
‘En mooi uitzicht op de stad heb je vanaf hier.’
Hij glimlachte.
‘Best een goede plek hè,’ zei hij.

Even later liep hij naar de deur en deed hem voor me open.
‘Je bent een te sterke vrouw voor mij.’
Ik zag alleen maar dat ik weg kon.
‘Nou, dag!’ zei ik nog.
Ik liep heel beheerst de trap af.
De adrenaline gierde door mijn lijf.

Hij bleef achter in zijn zolderkamer.
Ik trok de voordeur achter me dicht en liep meteen door naar school.
Ik was nog net op tijd en het examen lukte.

Ik blokte de ervaring.
Mijn ouders heb ik niks verteld.
Ik voelde me dom en schaamde me.
Waarom had ik dit gedaan?
Waarom had ik hem geloofd?
Waarom had ik een afspraak gemaakt?
Waarom durfde ik hem niet af te wijzen?

Omdat hij zijn kleur inzette.
Omdat ik bang was om te discrimineren.

Daarna heb ik een besluit genomen, op mij zeventiende:
Wat voor kleur iemand ook heeft, of het nou zwart is of wit of paars,
Ik mag altijd nee zeggen.
Ik mag altijd zeggen: laat me met rust!

En wie racisme of discriminatie als troefkaart gebruikt, is af.

 

1 gedachte over “Zeventien”

  1. Christine, wat een heftig verhaal maar vooral: wat een ontzaglijke moed heb je gehad in deze situatie. Knap dat je wat er gebeurd is zo helder hebt weten te verwoorden. Heel traumatisch

    Beantwoorden

Plaats een reactie

christinekliphuis.nl